Coachmomenten E-
en F- Pupillen
Voor de speler in balbezit:
Dribbelen als er een of meerdere
tegenstanders in de buurt zijn.
- Probeer de bal zo dicht mogelijk bij je te
houden. Zo kan de ander hem niet zo makkelijk afpakken.
- Probeer de bal zoveel mogelijk te raken, je
kunt hem dan beter langs de tegenstanders sturen.
Drijven als er veel ruimte is.
- Probeer zo veel mogelijk naar voren te lopen
met de bal
- Je hoeft de bal niet zo vaak te raken als je
heel snel wilt
- Speel de bal maar iets verder voor je uit.
Passen
- Probeer de bal met de binnenkant (even
aanwijzen) van de voet te trappen/raken als je hem ver wilt schieten, dan
gaat de bal harder
- Probeer de volgende keer de bal wat
harder/zachter te raken.
Schieten
- Probeer de bal met de veters/bovenkant van de
voet te trappen/raken als je hem ver wilt schieten, dan gaat de bal
harder.
- Probeer de bal in het midden te raken.
Aannemen
- Probeer de bal eerste stil te leggen
- Probeer achter de bal te staan als je hem wilt
tegenhouden
- Probeer zacht voor de bal te zijn, anders stuit
de bal weer weg.
Voor de medespeler van de balbezitter:
- Probeer ver uit
elkaar te gaan als wij de bal hebben
- Niet te dicht bij
elkaar spelen
- Zorg ervoor dat je
bal kunt krijgen
Voor de niet balbezitter / verdediger
- Zorg er voor dat je
tegenstander niet zomaar naar ons doel kan gaan, ga tussen ons doel en de
tegenstander staan.
- Probeer de bal zo
snel mogelijk af te pakken.
- Als wij de bal dict
bij hun doel kunnen afpakken, kunnen we misschien snel een doelpunt maken.
- In de buurt van ons
doel moeten we dicht voor onze tegenstander gaan staan, zodat hij niet kan
schieten.
- We moeten proberen
de bal met z’n allen af te pakken.
Coachen "Hoe doe je dat?" - deel 1
Coachen rond de wedstrijd - deel 2
7 tegen 7 spelerstaken
Startpagina