De Jeugdleider
Oorspronkelijke tekst Anno Crabbendam bewerkt en in modern jasje gestoken door de Webmaster
Het nut van waarnemen
We
hebben al eerder gemeld,dat vooral jeugd graag imiteert. Dit doen ze vaak
verbluffend goed. Vandaar ook, dat onderwijs zo vaak gebruik maakt van de leer
van het waarnemen. Want niet alleen, dat zintuiglijke waarneming altijd de
sterkste indruk bij het kinderlijk brein achterlaat, de pupillen voelen eveneens
de behoefte de handeling zo nauwkeurig mogelijk na te doen, te imiteren. En wat
ze aanvankelijk door dit voorbeeld uit gewoonte heeft leren doen, volbrengt
men
later doelbewust en uit vrije keuze. De leider moet de spelers al vroeg leren
wennen aan orde, regelmaat, eerlijkheid en sportiviteit. Hij moet hierbij zelf
altijd het goed voorbeeld geven. Dan wordt de gewoonte het middel, om tot het
doel te geraken. Tenslotte zal de jeugdspeler bijna automatisch deze gewoonte
overnemen en de kwade neigingen, die telkens opnieuw opduiken, kunnen weerstaan.
Ook niet in het dagelijks leven, want hij is aan het goede gevoel gewend geraakt
en is er vertrouwd mee geworden.
De Jeugdleider geeft zelf het goede voorbeeld. Het is vooral daarom zo buitengewoon belangrijk dat er op de jeugdleider ook buiten de sport om niets valt aan te merken.
Waar blijft het morele overwicht op de jeugd, als er door de leider om het minste geringste getwist wordt met anderen. De spelers zullen dit gedrag snel overnemen. Willen we in de opvoeding en de verbetering van de jeugd slagen dan dienen we eerst onszelf te corrigeren. Mocht het niet lukken jeugdigen bepaalde gebreken af te leren, moeten we dan niet eerst de fouten van de pupillen bij ons zelf zoeken?
Hebben we wel de juiste toon getroffen? Er is vaak zo weinig nodig, om zich bij kinderen gehaat te maken, om ze toto wraakzucht aan te zetten. De jeugd laat zich vooral door het gevoel leiden en minder door het verstand.
Was ons optreden niet te schuchter, waardoor de jongens gingen voelen, dat wij als opvoeders niet tegen hen waren opgewassen?
Waren we niet te bazig en daardoor te ruw in ons handelen? We moeten ons goed realiseren dat we niet de leiding hebben gekregen over een troep soldaten, die op het kazerneterrein gedrild moeten worden. De jonge spelers voelen nu eenmaal een natuurlijke afkeer tegen iedere harde willekeurige behandeling.
Hebben we ons misschien even te ver laten gaan? Zagen wij niet bepaalde ondeugden over het hoofd, omdat wij zelf in een goede stemming waren, of gingen we niet wat al te snel over tot berispen of straffen, omdat we even tevoren thuis iets minder aangenaams hadden beleefd?
Of gaven wij de jongens hun zin, toen zij ons iets vroegen, om even later door allerlei beloften of zoete woorden te trachten, ze weer kalm te krijgen, nadat ze met driftig stampen op de een of andere ontactische handeling van onze kant hadden gereageerd?
Juist door een dergelijke verkeerde methode bederven we de jeugd en remmen we ongewild de ontwikkeling. Bovendien verliezen we zelf de al snel het plezier . Deze slaat om in prikkelbare stemmingen met alle gevolgen van dien. Hoe vaak zien we leiders/trainers na een of twee jaar weer afhaken...? We moeten leren de spelers naar de juiste waarde leren schatten. Verder moeten we rekening houden met de eigenaardigheden van iedere speler afzonderlijk. Ieder heeft immers zijn eigen karakter en aanleg. Zo zal op een stoere speler een openlijke vermaning heilzaam kunnen werken, terwijl iemand met een zachtaardig karakter daar juist moedeloos van wordt en weer en ander zich daar misschien beledigd door voelt. We moeten ook niet eisen dat de langzame pupil een oefening even snel afwerkt als een van naturel vluggere clubgenoot. De een heeft aanleg voor technische vaardigheid, de ander geeft weer meer blijk van uitstekend tactisch inzicht. Wij mogen echter niet verlangen van beiden, dat ze in deze twee spelonderdelen even bekwaam zullen zijn. Belangrijk voor trainers is dat zij steeds de oorzaak van een geheel of gedeeltelijk falen eerst bij zichzelf zoeken, want zelfkennis verrijkt de mens en opent de weg tot een succesvollere begeleiding. De jeugdleider moet zelf altijd het goede voorbeeld geven. Hieronder volgen een aantal tips die daarbij behulpzaam kunnen zijn. Deze kunnen in meer overzichtelijk verband als richtlijnen dienen,met behulp waarvan hij in zijn begeleidende taak gemakkelijker zal kunnen slagen.
1. De jeugdleider moet aanleg hebben!
In de praktijk zal spoedig blijken, of men voor het jeugdwerk aanleg heeft. In het begin zal men dit niet zelf kunnen beoordelen. Wat de een bijna zonder moeite en bijna automatisch lukt, zal de ander heel wat hoofdbrekens kosten en anderen zelfs totaal niet lukken. Dit is voor een groot deel afhankelijk van aanleg. Zonder aanleg komen we er niet, althans uiterst moeizaam en langzaam. Vandaar ook dat lang niet iedereen voor jeugdleider geschikt is en sommige verenigingen uit nood geboren wel wat al te lichtvaardig tot benoeming besluiten. Dit neemt echter niet weg, dat men desondanks toch waarneembare resultaten kan bereiken, indien de passie voor het begeleiden van kinderen aanwezig is. Bij serieus volhouden is deze natuurlijke achterstand dan met goede wil en hard werken voor een vrij groot gedeelte in te halen.. Men hoeft zich dus niet zo maar te laten ontmoedigen en het werk erbij neer te leggen. Ontbreekt die passie, dan zal men echter nooit voor de volle honderd procent het vertrouwen van de spelers kunnen winnen. Dan is het de plicht je uit het begeleiden van de jeugd terug te trekken. In het belang van jezelf en in het belang van de sportieve jeugd!
2. Hij moet met kinderen leren spreken en omgaan!
Evenals iedere sociale laag van de bevolking heeft ook de jeugd haar eigen taal. Om met de jeugd te kunnen omgaan, moet de jeugdleider die taal kennen. Bij de keuze van zijn woorden moet hij het dus op de leeftijd afstemmen. Hoe vaak hoor je niet door trainers/leiders bij de F-Pupillen aanwijzingen als "Aansluiten" en "Dekken". Hou het zo simpel mogelijk. Er wordt al veel te snel over de kinderhoofden heen gepraat, met als resultaat dat we niet meer worden begrepen.. Ze gaan zich vervelen met alle vervelende gevolgen van dien. De leider moet met zijn jongens veel contact hebben. Hiermee bereikt hij veel meer dan het door worstelen van gecompliceerde beschouwingen over pedagogiek.
3. Hij verteld veel, maar op het juiste moment!
Dit advies houdt niet in, dat hij zich onder alle omstandigheden en in alle toonaarden van het gesproken woord bedient. Tijdens oefeningen wordt er zo min mogelijk gepraat. Dan is het de periode van het doen. en dan is een enkele opmerking voldoende. Na de training of wedstrijd kan hij ervan afwijken. Op speciale jeugdbijeenkomsten kan hij veel vertellen, liefst in het geheel niet over voetbal, althans niet over de technische en zeker niet over de tactische problemen van het spel. Want analytische beschouwingen over bepaalde methoden moeten de jeugd bespaard blijven. Hij praat met zijn spelers over van alles en nog wat. Belangrijk daarbij is dat hij interesse toont voor hun verhalen. Hun persoonlijke moeilijkheden of wensen. Hij kan proberen met voorbeelden uit de praktijk belangstelling te wekken voor eigenschappen die door de sport worden aangeleerd.
Als de omstandigheden het toelaten, trekt hij met het team er op uit. Zonder bal, maar met een vrolijke uitstraling en een levendige vocabulaire, welke zal bijdragen tot een sfeer van vertrouwen en hartelijkheid. Doe hierbij nooit de waarheid geweld aan. Overdrijf ook niet. De spelers hebben heel snel door als men een toneelstukje opvoert. Dan is er geen vertrouwen meer en ontstaat er nooit een hechte saamhorigheid. Wanner hij zijn vertelling of les aantrekkelijk weet over te brengen zullen de toehoorders geïnspireerd blijven. Wanneer hij zijn vertelling of les nu en dan weet af te wisselen met het stellen van vragen naar aanleiding van het besprokene, zal dit zowel de aandacht als de aantrekkelijkheid zeer ten goede komen. Hij bedenkt hierbij , dat zijn vraag vooral duidelijk moet zijn gesteld. Ze moeten bepaald zijn zodat er maar 1 antwoord goed kan zijn. Verzuimt hij dit, dan mag hij een antwoord dat toevallig niet overeenkomt met zijn bedoeling niet foutief rekenen. Hij zal dan telkens weer tot de ontdekking komen, dat het stellen van vragen heel wat lastiger is dan hij aanvankelijk kon vermoeden. Leg je erop toe steeds duidelijk en overtuigd te spreken. Er mag nooit twijfel ontstaan!
4. Maak gebruik van het waarnemen!
Dit waarnemen maakt het besprokene duidelijk en aantrekkelijk.
5. De Jeugdleider doet zich voor op de manier zoals hij die ook van zijn spelers voorstaat!
De spelers zullen dan zijn voorbeeld, dat vooral op waarheden gebaseerd moet zijn, zonder morren of tegenzin en tenslotte bijna automatisch volgen.
6. Hij wijst zijn pupillen bij iedere voorkomende gelegenheid op hun plichten!
Door middel van vergelijkingen en voorbeelden - het liefst uit de praktijk- geeft hij de noodzaak aan van die plichtsvervulling. Leg de verkeerde gevolgen hiervan uit. Hoe simpel kan in dit opzicht met een goedbedoelde vingerwijzing of enkele een onopvallende opmerking van de jeugdleider iets positiefs tot stand komen? Voorbeeld: De training is zojuist afgelopen. Alle spelers staan na afloop zakje chips te eten. Op twee na, deze hadden geen geld meegekregen. Door tactisch ingrijpen van de jeugdleider worden de chips nu gedeeld. Bij een volgende gelegenheid is ingrijpen van de leider niet meer nodig, dan gaat dit vanzelf. Aanvankelijk werd er niet bij stilgestaan om te delen, handelden ze onbewust. Nu begrijpen ze dat delen iets doodgewoons betreft. Onder vriendjes is dat vanzelfsprekend! Let bij dit voorbeeld wel even op . Medelijden moet nooit worden gewekt. Een speler die minder 'zakgeld' te besteden heeft en alleen daarom bij de verdeling wordt ingeschakeld zal in zijn zelfvertrouwen en eergevoel worden aangetast!
Overige plichten
Verder zullen de
jongens gewezen moeten worden op hun plicht, steeds op tijd aanwezig te zijn. Ze
moeten gehoorzamen en de regels van het huishoudelijk reglement van de
vereniging naleven. Tenslotte dient de jeugdleider er ook toe bij te dragen dat
ze zich sportief zullen gedragen. (Over sportiviteit later meer.)
7. De jeugdleider is altijd opgewekt!
Dit ligt voor een deel binnen zijn bereik. Hij moet van alle dingen de aangename zonnige kant zien, en leren zien. Een 'positivo' uitstralen! Ook al valt er helemaal niets te lachen, zit het enorm tegen, probeer altijd opgewekt te blijven. Zijn pupillen mogen nooit de dupe worden van zijn ontstemde gemoed. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Een diepe teleurstelling of een pas ondervonden tegenslag moet plotseling worden overwonnen of verborgen. Een goede jeugdleider moet in een handomdraai kunnen overschakelen. Een gedreven, vrolijke spelersgroep kan daartoe, in niet geringe mate, bijdragen. Zij brengen hem de noodzakelijke afwisseling, ze gaan ervoor!
8. Hij houdt nauwlettend toezicht!
Er is al eerder gememoreerd dat men de jeugd niet aan banden moet leggen, die haar vrijheid al te zeer belemmeren. Deze raadgeving houdt echter niet in, dat men de jeugd teveel aan zichzelf moet overlaten. En hoewel in een geselecteerde groep van clubleden het gevaar, dat men ongecontroleerd in aanraking komt met minder aangename onopgevoede kinderen, minder groot is dan buiten het verenigingsleven om, zal de jeugdleider toch waakzaam moeten blijven dat vreemdsoortige gevaarlijke elementen niet kunnen binnendringen. Mocht dat toch het geval zijn, dan zal hij in het belang van de anderen krachtig ingrijpen en in overleg met het bestuur de sfeerverziekers van de clubgeest onverbiddelijk verwijderen.
Dat er ook negatieve invloed, van buiten de club (kan zijn... school, tv of internet), in de spelersgroep kan sluipen dat moge genoegzaam bekend zijn. Zonder het te vaak te beseffen kunnen opmerkingen en maniertjes uit de dagelijkse leefomgeving van de spelers zeer veel invloed hebben op het sportklimaat van de spelersgroep. Zorg als leider zeker bij de allerkleinsten dat er veel contact is met de ouders. Beleg aan het begin van ieder seizoen een ouderavond. Dan weten alle betrokkenen wat ze het komend seizoen kunnen verwachten.
9. Zorg ervoor dat de beschikbare tijd zo goed mogelijk wordt besteed!
Iedereen doet zijn uiterste best om spelers op de training te laten verschijnen. Zorg ervoor dat de beschikbare tijd voor de training optimaal kan worden benut. Zet van te voren materiaal uit zodat de training precies op tijd kan beginnen en kan eindigen. Laat geen tijd verloren gaan aan praatjes met anderen. Doe dit indien mogelijk na de training. Bereid de training altijd goed voor. De spelers zullen tot inzicht komen dat tijd kostbaar is en dat deze volledig benut moet worden. Zij zullen tenslotte hiernaar zelf gaan handelen!