Te midden der kampioenen / Joris van den Bergh  
 
Ik onderdruk altijd zoveel mogelijk om te roepen dat het vroeger beter was dan tegenwoordig. Nu moet ik wel toegeven dat ook mijn jeugd getekend is door het boek 'Te midden der kampioenen' van Joris van den Bergh. Ik heb dat boek meerdere keren gelezen. Iemand die mij een beetje kent moet weten dat het dan wel een heel bijzonder boek moet zijn geweest. Ik ben nou eenmaal niet zo'n lezer. Ik geef toe dat ik toen nog jong was, een puber, maar desalniettemin: Te midden der kampioenen is misschien wel het enige klassieke boek dat de Nederlandse sportliteratuur heeft opgeleverd. 

Het boek gaat over wielrenner Piet Moeskops, de man die tien maal Nederlands sprintkampioen werd, en vijf maal de wereldtitel veroverde: in 1921 Kopenhagen, 1922 New Brighton/Parijs, 1923 Zurich, 1924 Parijs en 1926 Milaan. Ik werd op dit boek geattendeerd door mijn grootvader. Mijn opa had als klein jochie deze held van weleer in de kapperszaak van zijn vader aan de Loosduinseweg te Den Haag regelmatig mogen inzepen. De prachtige verhalen van mijn opa over Piet Moeskops, vijf maal wereldkampioen werden nog meer gevisualiseerd door dit boek. Mijn andere opa (geweldig toch al die opa's!) was ooit beheerder van een bibliotheek in Hilversum. Deze bibliotheek was ten tijde van mijn jeugd, reeds jaren opgeheven maar een groot aantal boeken waren nog wel bewaard gebleven. Hij had zowaar een boek over Piet Moeskops bij de opgeslagen boeken liggen ...

Zo heb ik dit boek dus in handen gekregen. Met de eerste bladzijde vol "datum-uitleen-stempels". Het boek valt van ellende haast uit elkaar maar regelmatig grijp ik het nog uit de boekenkast. Piet Moeskops vijf maal wereldkampioen!  Voor zover ik weet heeft geen Nederlander hem dat ooit nagedaan.  Arie van Vliet niet en ook Jan Derksen niet. In 1971 is Leyn Loevesteijn nog een keertje kampioen bij de profs geweest. Bij de Olympische spelen in Athene maakte ook Nederland weer kennis met deze tak van sport. Theo Bos behaalde na het wereldkampioenschap, zilver op de spelen van 2004. Niets is zo vergankelijk als roem. Piet Moeskops, een naam die in de huidige sportwereld  maar weinigen "iets" zegt.  Hij leefde van 1893 tot 1964. Ik kan me zelf nog heel vaag een uitzending van Willem Duys "Voor de vuist weg" herinneren waarin Piet Moeskops een Sur Place in de studio kwam laten zien.

In dit boek komt de theorie naar voren dat de grote kampioen in de ene sport, ook een groot kampioen in een andere sport zou zijn geweest. Het is een soort meer biografie van deze wielrenner die overleed op de dag dat Cruijff als voetballer werd geboren. Zoals Kees van Kooten "nou wij, boys!" van Ad van Emmenes bijna uit zijn hoofd kent, zo is voor mij dit boek gesneden koek. In zijn slotwoord schreef van den Bergh het volgende:

"Het alles overheersende in de sport, het scheppende, het bezielende... het ligt allemaal in de kapitale macht van het onzichtbare, van imponderabilia, van de onweegbare en onmeetbare waarden. Dat heb ik willen aangeven. En zo ik daarin ben geslaagd, dan moet ik tevens nog iets anders hebben aangegeven, althans hebben aangeraakt, namelijk dit, dat het fenomeen de superkampioen in een tak van sport, welke grote kracht, grote souplesse, grote behendigheid, technisch meesterschap en grote tactische gaven naast koelbloedigheid en bliksemsnelle reactie bij bliksemsnelle uitvoering vereist ... dat de superkampioen uit zulk een tak van sport, ook een superkampioen in een andere tak van sport zou zijn geworden. Kijk's! Ik meen dat het was in 1917 in de laatste dagen van de Scheveningse wielerbaan. De heren Adrian en Bosch van Drakestein oefenden zich voor het Olympische vaardigheidsdiploma in het hoogspringen en zij hadden de hulp ingeroepen van de Athletieker Van Maasdijk, toen een van de beste hoogspringers van Nederland. Van Maasdijk sprong voor en Moeskops zat op het hek van de baan toe te kijken. Steeds hoger ging de lat. 't Werd 1.60, 1.65, 1.70m. Toen miste Van Maasdijk. "wat 'n hoogte! riep Moeskops. Ja, riep Adrian terug, nu zit jij er maar zo lui bij te kijken, maar probeer jij het eens. "Ik heb als jongen alleen maar over hekjes gesprongen", antwoordde Moeskops. Maar wij hielden aan en legden de lat op dezelfde hoogte neer. Moeskops kwam van het hek, nam een aanloop en zeilde over de lat heen. Kijk, dat bedoel ik. Als Moeskops athletieker was geworden, zou hij daarin een fenomeen zijn geworden. En dat was niet alleen met hem het geval, maar met ieder fenomeen in de takken van sport, die eisen stellen, welke ik hierboven noemde. Want fenomenen in de sport zijn broers van elkaar. Het zijn kinderen van dezelfde vader, die hun meegaf de fysieke en de innerlijke geschiktheid tot het fenomenale in de sport. De tak van sport, die zij kiezen, is bijzaak. Weet ge hoe ik het zie? Rembrandt is schilder geworden, superkampioen. Denkt gij, dat als hij toevallig beeldhouwer was geworden, dan wel bouwmeester of constructeur, dat hij geen superkampioen zou zijn geworden?" 

Nog een fragment

Spears, de prachtig gebouwde, blonde, blozende kerel; de man met het regelmatige, knappe, aantrekkelijke uiterlijk... met de eigenaardig langzame, maar hoge oogopslag en de onweerstaanbare, heel, heel lichte glimlach, welke maar eventjes om zijn dichtgeknepen, besliste mond speelde, - Spears, de atletische, wel gesoigneerde verschijning, die even voor het inzetten van de spurt met een zwaai van het hoofd het hoog ingeplante, blonde haar achterover wierp om dan in een verbazingwekkende stijl op zijn tegenstanders toe te vliegen, - Spears had het publiek door zijn charme gevangen. - Doch verder!... Spears had de pers. Natuurlijk had hij de pers. Hij had de pers alleen al beet door zijn geheel aparte zit, welke in strijd was met de theorie. Theoretisch was het onmogelijk, dat iemand die zulk een lange stand op zijn machine had, zijn kracht op haar nuttigst kon aanwenden. Een plotselinge spurt, een demarrage, was bij zo'n stand volgens de theorie uitgesloten. En toch reed Spears licht en luchtig en gemakkelijk en gierde hij op zijn tegenstanders toe. Er zat kopij in hem. Er vielen kolommen te draaien alleen al om zijn merkwaardige zit. Onder de renners die de grootste van hun tijd waren, was er geen enkele te vinden, wiens stand, wiens positie met die van Spears vergeleken kon worden.
In gestrekte houding gingen de armen ver, veel te ver naar voren. Het wijde stuur boog zo ver weg, dat het de indruk maakte, alsof Spears 'er moeilijk bij kon'. Maar toch konden die handen, die zo ver naar voren grepen, zo formidabel trekken aan het stuur. De verbluffende gemakkelijkheid waarmede Spears, die steeds in de laatste bocht op zijn tegenstanders toesprong, reed, verraste het publiek, dat tot spontaan gejuich kwam, steeds weer opnieuw. En op het middenterrein stonden, hoekig van aandacht, de renners, die door de superbe demonstratie van dit weergaloos kunnen waren aangegrepen. Wanneer Spears op het laatste rechte eind langs zijn tegenstanders zeilde, was het, alsof een grote vogel kwam aanscheren. Ja!... Spears was een fenomeen. Moeskops had hem ook gadegeslagen. Hij erkende in hem direct de grootmeester. Tegenover Spears vielen alle anderen weg. De Australiër was een aparte figuur. Hij stond voorop, alléén. Niet één kwam er in zijn buurt. Maar zo had hij zich ook altijd de renner voorgesteld. Zo had hij zich zelf voorgesteld. Hij wist, dat hij er nog niet was, dat hij er nog lang niet was. Als hij Spears kon kloppen, dan pas was hij klaar. Hij loerde op ontmoetingen en die bleven dan ook niet uit. Helaas was de zomer van 1919 niet zo gunstig voor Moeskops. Na zijn zevenvoudige overwinning te Brussel en na daar de vier contracten ad 250 francs per stuk te hebben afgewerkt, was hij naar Amsterdam geroepen. Hij reed er in Mei en Juni enige wedstrijden, doch bepaald op dreef was hij niet. Hij werd een keer geklopt door de Fransman Schilles en verloor ook eenmaal tegen Jean Louis, die hij toch 'maken en breken' kon. Er haperde wat. Hij was grieperig en had een tijd lang verhoging. Zich niet lekker gevoelende, dronk hij nogal veel melk. En door die melk kreeg hij tyfus, welke ziekte zich in Juni openbaarde. In het midden van het seizoen lag hij met hoge koorts te bed en nagenoeg de gehele Julimaand was voor hem bedorven. De ijzersterke kerel herstelde echter snel en reeds in Augustus rijdt hij weer te Amsterdam en hij ontmoet dan daar o.a. Spears. Het gelukt hem maar eenmaal Spears te kloppen, echter niet op de gewone fiets, doch' met Gerard Leene op tandem. De Australisch- Franse tandem Spears - Godivier kon het tegen de beide Hollanders niet houden. Op de gewone fiets kon hij Spears zo vlak na zijn ziekte nog niet aan. Hij had er enige malen fel om gereden. Eerst was Spears droogweg langs hem heen gekomen, daarna was hij erin geslaagd met zeer veel moeite aan het wiel van Spears te blijven en toen hem dat eindelijk met minder inspanning gelukte, had hij gepoogd naast Spears te komen, doch was dan weer achter hem moeten terugzakken. Neen, die maand Juli was er als storing tussen gekomen. Hij reed toen nog een paar wedstrijden van minder betekenis o.a. in September een te Groningen en als dan half Oktober het zomerseizoen in Nederland geëindigd is, gaat hij naar Brussel, waar hij nog eens tegen Spears zal rijden, doch nu fit and wel, onder gans andere omstandigheden. Hij rijdt nu op volle kracht tegen Spears, die hij goed heeft opgenomen en die...........

Tot zover Joris van den Bergh. Wijlen moet je er altijd bij zeggen. Ik geloof in grote trekken wel in zijn theorie. Als Johan Cruijff niet toevallig naast het Ajax-stadion was geboren, maar bijvoorbeeld naast het Olympisch stadion of het tennisstadion dan was hij nu misschien een "Krajicek"  of opvolger van Peter Post geworden. Je weet het maar nooit. Van Cruijff bestaat er een foto waarop je hem in fraaie zweefduikstijl een bal uit de doelmond ziet wegvangen. Als Cruijff naast zijn huis een basketbalveldje had gehad was hij misschien eerder geweest dan Rick Smits. Wie zal het zeggen?

Het boek van Van den Bergh is lang geleden in de daarbij horende oude spelling geschreven. De eerste en tweede druk verschenen in 1942, de derde druk verscheen in 1947, de vierde in 1948, toen lag het een tijdje stil (de man met de hamer had blijkbaar genadeloos toegeslagen) In 1964 verscheen bij Querido de vijfde druk, bij Thomas Rap verscheen in 1981 de, voor zover ik weet, laatste, zesde druk. Toch knap van een sportboek om bijna veertig jaar na verschijning toch nog een nieuwe druk af te dwingen.  Voor een ieder die het te pakken kan krijgen aarzel niet. Je zult er zeker veel plezier aan beleven. Dat geldt ook voor het boek Mysterieuze krachten in de sport van dezelfde auteur. 

'Te midden der kampioenen'

Inmiddels ben ik ook in het bezit van de zesde druk. Hierin wat foto's waardoor ik ook het 'gezicht' Moeskops heb leren kennen...

naar wielersportboeken
naar sportboeken

Copyright © 1999 - 2008 Jeugdvoetbaltips | Disclaimer Mail de webmaster  Laatste upload op: 13 mei 2008