| Te midden der kampioenen / Joris van den Bergh |
| Ik onderdruk altijd zoveel mogelijk om te
roepen dat het vroeger beter was dan tegenwoordig. Nu moet ik wel toegeven dat
ook mijn jeugd getekend is door het boek 'Te midden der kampioenen' van Joris
van den Bergh. Ik heb dat boek meerdere keren gelezen. Iemand die mij een beetje
kent moet weten dat het dan wel een heel bijzonder boek moet zijn geweest. Ik
ben nou eenmaal niet zo'n lezer. Ik
geef toe dat ik toen nog jong was, een puber, maar desalniettemin: Te midden der
kampioenen is misschien wel het enige klassieke boek dat de Nederlandse
sportliteratuur heeft opgeleverd.
Zo heb ik dit boek dus in handen gekregen. Met de eerste bladzijde vol "datum-uitleen-stempels". Het boek valt van ellende haast uit elkaar maar regelmatig grijp ik het nog uit de boekenkast. Piet Moeskops vijf maal wereldkampioen! Voor zover ik weet heeft geen Nederlander hem dat ooit nagedaan. Arie van Vliet niet en ook Jan Derksen niet. In 1971 is Leyn Loevesteijn nog een keertje kampioen bij de profs geweest. Bij de Olympische spelen in Athene maakte ook Nederland weer kennis met deze tak van sport. Theo Bos behaalde na het wereldkampioenschap, zilver op de spelen van 2004. Niets is zo vergankelijk als roem. Piet Moeskops, een naam die in de huidige sportwereld maar weinigen "iets" zegt. Hij leefde van 1893 tot 1964. Ik kan me zelf nog heel vaag een uitzending van Willem Duys "Voor de vuist weg" herinneren waarin Piet Moeskops een Sur Place in de studio kwam laten zien. In dit boek komt de theorie naar voren dat de grote kampioen in de ene sport, ook een groot kampioen in een andere sport zou zijn geweest. Het is een soort meer biografie van deze wielrenner die overleed op de dag dat Cruijff als voetballer werd geboren. Zoals Kees van Kooten "nou wij, boys!" van Ad van Emmenes bijna uit zijn hoofd kent, zo is voor mij dit boek gesneden koek. In zijn slotwoord schreef van den Bergh het volgende: "Het alles overheersende in de sport, het scheppende, het bezielende... het ligt allemaal in de kapitale macht van het onzichtbare, van imponderabilia, van de onweegbare en onmeetbare waarden. Dat heb ik willen aangeven. En zo ik daarin ben geslaagd, dan moet ik tevens nog iets anders hebben aangegeven, althans hebben aangeraakt, namelijk dit, dat het fenomeen de superkampioen in een tak van sport, welke grote kracht, grote souplesse, grote behendigheid, technisch meesterschap en grote tactische gaven naast koelbloedigheid en bliksemsnelle reactie bij bliksemsnelle uitvoering vereist ... dat de superkampioen uit zulk een tak van sport, ook een superkampioen in een andere tak van sport zou zijn geworden. Kijk's! Ik meen dat het was in 1917 in de laatste dagen van de Scheveningse wielerbaan. De heren Adrian en Bosch van Drakestein oefenden zich voor het Olympische vaardigheidsdiploma in het hoogspringen en zij hadden de hulp ingeroepen van de Athletieker Van Maasdijk, toen een van de beste hoogspringers van Nederland. Van Maasdijk sprong voor en Moeskops zat op het hek van de baan toe te kijken. Steeds hoger ging de lat. 't Werd 1.60, 1.65, 1.70m. Toen miste Van Maasdijk. "wat 'n hoogte! riep Moeskops. Ja, riep Adrian terug, nu zit jij er maar zo lui bij te kijken, maar probeer jij het eens. "Ik heb als jongen alleen maar over hekjes gesprongen", antwoordde Moeskops. Maar wij hielden aan en legden de lat op dezelfde hoogte neer. Moeskops kwam van het hek, nam een aanloop en zeilde over de lat heen. Kijk, dat bedoel ik. Als Moeskops athletieker was geworden, zou hij daarin een fenomeen zijn geworden. En dat was niet alleen met hem het geval, maar met ieder fenomeen in de takken van sport, die eisen stellen, welke ik hierboven noemde. Want fenomenen in de sport zijn broers van elkaar. Het zijn kinderen van dezelfde vader, die hun meegaf de fysieke en de innerlijke geschiktheid tot het fenomenale in de sport. De tak van sport, die zij kiezen, is bijzaak. Weet ge hoe ik het zie? Rembrandt is schilder geworden, superkampioen. Denkt gij, dat als hij toevallig beeldhouwer was geworden, dan wel bouwmeester of constructeur, dat hij geen superkampioen zou zijn geworden?" Nog een fragment Spears,
de prachtig gebouwde, blonde, blozende kerel; de man met het regelmatige, knappe,
aantrekkelijke uiterlijk... met de eigenaardig langzame, maar hoge oogopslag en
de onweerstaanbare, heel, heel lichte glimlach, welke maar eventjes om zijn
dichtgeknepen, besliste mond speelde, - Spears, de atletische, wel gesoigneerde
verschijning, die even voor het inzetten van de spurt met een zwaai van het
hoofd het hoog ingeplante, blonde haar achterover wierp om dan in een
verbazingwekkende stijl op zijn tegenstanders toe te vliegen, - Spears had het
publiek door zijn charme gevangen. - Doch verder!... Spears had de pers.
Natuurlijk had hij de pers. Hij had de pers alleen al beet door zijn geheel
aparte zit, welke in strijd was met de theorie. Theoretisch was het onmogelijk,
dat iemand die zulk een lange stand op zijn machine had, zijn kracht op haar
nuttigst kon aanwenden. Een plotselinge spurt, een demarrage, was bij zo'n stand
volgens de theorie uitgesloten. En toch reed Spears licht en luchtig en
gemakkelijk en gierde hij op zijn tegenstanders toe. Er zat kopij in hem. Er
vielen kolommen te draaien alleen al om zijn merkwaardige zit. Onder de renners
die de grootste van hun tijd waren, was er geen enkele te vinden, wiens stand,
wiens positie met die van Spears vergeleken kon worden. Tot zover Joris van den Bergh. Wijlen moet je er altijd bij zeggen. Ik geloof in grote trekken wel in zijn theorie. Als Johan Cruijff niet toevallig naast het Ajax-stadion was geboren, maar bijvoorbeeld naast het Olympisch stadion of het tennisstadion dan was hij nu misschien een "Krajicek" of opvolger van Peter Post geworden. Je weet het maar nooit. Van Cruijff bestaat er een foto waarop je hem in fraaie zweefduikstijl een bal uit de doelmond ziet wegvangen. Als Cruijff naast zijn huis een basketbalveldje had gehad was hij misschien eerder geweest dan Rick Smits. Wie zal het zeggen? Het boek van Van den Bergh is lang geleden in de daarbij horende oude spelling geschreven. De eerste en tweede druk verschenen in 1942, de derde druk verscheen in 1947, de vierde in 1948, toen lag het een tijdje stil (de man met de hamer had blijkbaar genadeloos toegeslagen) In 1964 verscheen bij Querido de vijfde druk, bij Thomas Rap verscheen in 1981 de, voor zover ik weet, laatste, zesde druk. Toch knap van een sportboek om bijna veertig jaar na verschijning toch nog een nieuwe druk af te dwingen. Voor een ieder die het te pakken kan krijgen aarzel niet. Je zult er zeker veel plezier aan beleven. Dat geldt ook voor het boek Mysterieuze krachten in de sport van dezelfde auteur. 'Te midden der kampioenen' Inmiddels ben ik ook in het bezit van de zesde druk. Hierin wat foto's waardoor ik ook het 'gezicht' Moeskops heb leren kennen... |