De Uitgangshoudingen
De keeper moet altijd
klaar staan. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Hoe moet een keeper eigenlijk klaar staan? Staat die keeper dan altijd in dezelfde houding?
Inleiding
Laten we maar direct met de deur in huis vallen:
De
uitgangshouding bestaat niet!
Er zijn verschillende uitgangshoudingen afhankelijk van de situatie en de doelstelling. Die situatie moet altijd zo zijn dat een keeper als eerste het grootste gevaar voor de keeper elimineert. Het grootste gevaar is altijd in eerste instantie het doel. In tweede instantie is dat een bal die voor hem of naast valt. Daar moet hij altijd op zijn ingesteld. Dat houd automatisch in dat er niet 1 uitgangshouding is. Er zijn er verschillende, ieder afhankelijk van:
waar bevind de bal zich
wat kan het eerste gevaar zijn
wat zijn de kwaliteiten van de tegenstander
wat zijn de kwaliteiten van de keeper zelf
Het is belangrijk voor een keeper dat hij een van de goede uitgangshouding
aanneemt. Een slechte uitgangshouding kan kostbaar tijdverlies opleveren, en
tijdverlies kan weer doelpunten als gevolg hebben.
Steeds neemt de keeper een van deze houdingen aan op het moment dat hij moet
ingrijpen of wanneer de kans bestaat dat hij moet ingrijpen. Vanuit deze
uitgangshoudingen kan de keeper alle bewegingen maken, zoals duiken, springen,
zweven en vallen.
Het komen in de
uitgangshouding
Het komen in de uitgangshouding is een van de moeilijkste technieken. Het is mede bepalend wat de keeper erna kan doen. Is hij te vroeg, te laat, of is hij in de uitgangshouding op het juiste moment.
Het komen in de uitgangshouding wil zeggen dat de keeper nooit vanuit een stilstaande positie reageert maar hij maakt altijd een stapje, sprongetje omhoog of een stapje vooruit. Het komen in de uitgangshouding is nodig om zo snel mogelijk te kunnen reageren. De grote van het stapje of de hoogte van het sprongetje is afhankelijk van de afstand van de bal (en de snelheid) tot de keeper en tot het doel. Het zorgt ervoor dat je beenspieren op spanning komen. Dit doe je door iets door de knieën te zakken en je lichaamsgewicht op je voorvoeten te brengen.
Drie uitgangshoudingen
Uitgangshouding 1: Uitgangshouding bij direct gevaar
Uitgangshouding 2: Als de bal ver weg is op de helft van de tegenstander
Uitgangshouding 3: Bij balbezit doorgebroken tegenstander
De belangrijkste kenmerken van deze uitgangshoudingen zijn
Uitgangshouding 1: Bij direct gevaar
De voeten staan op heupbreedte en wijzen naar voren
Het lichaamsgewicht rust op de voorvoeten.
De knieen en heupen zijn licht gebogen en het bovenlichaam wijst schuin naar voren
De bovenarmen hangen recht naar beneden, terwijl de ellebogen dan 90 graden gebogen en de polsen gestrekt zijn.
De handen zijn geopend en de handpalmen wijzen naar elkaar.
Het hoofd is opgeheven en de ogen zijn gericht op het veld
Belangrijkste fouten:
Spreidstand te wijd of te smal
Voeten wijzen niet naar voren
Lichaamsgewicht rust op hele voet (hiel aan de grond)
Gestrekte knieen
Bovenlichaam rechtop
Handen te laag of te hoog
Handen niet geopend
Elke keeper zal een uitgangshouding moeten vinden van waaruit die zo snel mogelijke alle richtingen en alle bewegingen zal kunnen uitvoeren.
Uitgangshouding 2: als de bal ver weg van de keeper is.
De starthouding zoals bij een Atletiekwedstrijd over de middenlange afstand. (1 been naar voren en 1 been naar achteren. Altijd klaar staan op naar voren of naar achteren te lopen. De keeper moet rekening houden met een lob of met een dieptepass.
Uitgangshouding 3: als de keeper dicht bij de bal is
Kleine spreidstand
Armen voor/naast het lichaam
Sterke buiging van de knieen
De keeper kan is deze situatie dicht op de bal komen. Daarom moet hij lager gaan zitten. Hij is dan in zijn houding dichter bij de grond. Het kost de keeper altijd wat meer tijd om bij lage ballen over de grond te komen. Daarom moet hij in deze houding dieper zitten als bij de vorige twee. Niet te diep want anders komt hij vast te zitten. Door de armen voor/naast zich te houden dwingt hij de tegenstander als het ware om hem te gaan passeren. Er is geen ruimte meer voor een schot en omdat de keeper al dichtbij is kan een lob ook niet meer. Hij moet dus wel de keeper buitenom gaan passeren. Als de bal los dichtbij de keeper is moet hij deze zo snel mogelijk proberen te onderscheppen.
Boekentips:
|
|
Basisboek Keeperstraining Frans Hoek
|
|
|
De coach en zijn keeper Maarten Arts
|
|
|
naar Keeperstrainingsinformatie
naar Trainingstipsstartpagina