| De Brittenburg |
Diep verborgen in het zand liggen in zee de resten van een mysterieus
Romeins gebouw. In de loop van de eeuwen kwam er steeds weer iets tevoorschijn,
wat grote opwinding veroorzaakte. Nu lijkt het voorgoed verloren.
Ter gelegenheid van een verzoening van de Leidenaars met de graaf van
Holland declameerde de dichter Willem van Hildegaersberch in 1401 een gedicht
voor de graaf. De Leidse heldendaden uit het verleden werden beschreven,
met daarin ook hun verklaring van de sleutels in het Leidse wapen: (vrije
vertaling)
| . . . .
Het is geschied in oude dagen dat haar voorouders moedig waren en ook het goede deden zodat de heren hun loofde en daarom ook de sleutel gaven Want zij beschermde de grenzen van hun heer. en inden zijn tol. Menig mens ging op en neer de één ging heen, de ander weer naar waar zij wilden zijn, op de zee of in de Rijn. Zij moesten hun tol daar zetten want daar stond een burg te Bretten Daarop woonden de onbedwongen, de ouden en de jongen. En zo komt daaruit voort dan hun de sleutel toebehoort. . . . . |
Het is de eerste vermelding van de Brittenburg. In een boek uit 1490 wordt ook verteld dat de "burg te Britten" op dat moment zichtbaar is in de golven van de zee.
De grote ontdekking vond plaats in 1520, toen na een storm de hele ruïne
blootlag met een groot aantal vondsten: stenen met opschriften, zilveren
munten en andere voorwerpen. De resten verdwenen weer onder het zand maar
waren in de loop van die eeuw regelmatig zichtbaar. Heel wetenschappelijk
Nederland stortte zich op deze bijzondere vondst. Het was een tijd waarin
een heldhaftige geschiedenisbeschrijving ontstond waarin zo'n indrukwekkend
gebouw welkom was. Het was ook de eerste keer dat Nederlanders de resten
van hun voorouders zagen, want archeologische opgravingen waren nog onbekend.
Na de middeleeuwen waren de Grieken en Romeinen met hun indrukwekkende
steden en kunst populair geworden en opeens lag daar een compleet Romeins
fort in Nederland, in plaats van het verre Italië. Ook spreken verdwenen
kastelen altijd sterk tot de verbeelding. Overal verscheen het gebouw
op prenten, landkaarten en in verhalen.
| Toen later in die eeuw de Brittenburg weer eens goed zichtbaar
was maakte een tekenaar een hopelijk nauwkeurige plattegrond van de Brittenburg,
die voor bijna alle latere prenten gebruikt werdt De oudste en bekendste
kopie is de gravure van de kaartenmaker Ortelius, die de tekening in 1566
krijgt. Een tweede versie werd in 1572 gemaakt en daarop is ook de Rijnlandse
uitwatering zien, die kort daarvoor was gegraven.
|
Ortelius, 1581 |
In latere tijd verschenen er ook andere tekeningen, maar de gebouwen
hierop zien er heel anders uit en zijn dus niet van de 'echte' Brittenburg.
Deze gebouwen kwamen onder de duinen tevoorschijn, toen de zee steeds meer
van de kust wegsloeg. De meeste mensen wisten dat niet en zagen alles voor
de Brittenburg aan.
![]() |
Er bestaat een tekening van een gebouw dat op het strand zichtbaar was in 1667. Behalve de tekening is hier niets van bekend. In die eeuw werd wel regelmatig gemeld dat de "Brittenburg" zichtbaar was. Het is niet duidelijk wat het voor een gebouw was. Buitenom loopt een zware muur die misschien dezelfde is als de "stenen muur van Katwijk op Zee tot het Britse kasteel" die in een krantenbericht uit die tijd wordt genoemd. Ook wordt gesproken over het "wijd verspreidde fundament", dus de Romeinse resten lagen verspreidt over een groot deel van het strand. |
in 1701
|
In 1701 werden weer fundamenten zichtbaar, nu dicht tegen de duinen en bij het oude, al lang dichtgestoven Mallegat, dus dichter bij Katwijk. In 1750 waren de stenen muren verdwenen en waren alleen de houten funderingspalen nog zichtbaar. Het gaat nu om een fort-achtig gebouw met twee ronde torens, maar veel kleiner dan de echte Brittenburg. Ook was er nu weer een losse zware muur zichtbaar en was het hele strand bezaait met stenen, dakpannen en metselkalk. Omdat het fundament een beetje lijkt op de oudste tekening wordt dit gebouw wel eens aangezien voor de Brittenburg, maar dat kan niet. Ook in die tijd waren de geleerden al van mening dat het een ander gebouw moest zijn omdat het veel kleiner was en dichter bij Katwijk lag. |
in 1750
|
Van
een Romeinse geschiedschrijver is het verhaal bekend van de dwaze keizer
Caligula, die zijn soldaten op het strand opstelde met het geschut. Daarna
gaf hij tot ieders verbazing opdracht om schelpen te verzamelen als oorlogsbuit
op de oceaan. Als gedenkteken voor deze overwinning op de oceaan liet hij
een hoge vuurtoren bouwen. Men nam vroeger aan dat dit tafereel zich aan
de Rijnmond had afgespeeld en is dus altijd op zoek geweest naar die vuurtoren.
Tegen alle belangstellenden die op de Brittenburg afkwamen, vertelden de
Katwijkers dat hun netten regelmatig achter stenen vast bleven zitten en
dat ze zelfs plaatsen wisten waar met stokken onder water de stenen voelbaar
waren van wat zij "Kalla's toren" noemden. Deze naam werd gebruikt als
een bewijs dat de Katwijkers al vanaf Romeinse tijden wisten van een (vuur)toren
van Caligula (Kalla), maar dat is vrijwel onmogelijk. Waarschijnlijk hebben
de eerste bezoekers na verhalen van de vissers verheugd uitgeroepen dat
dit vast de vuurtoren van Caligula was, waarna de Katwijkers dit weer gretig
aan volgende bezoekers doorvertelden.
De laatste eeuw leverde een stroom aan meldingen van Loch Ness proporties, zoals wandelaars die muren op een kilometer afstand boven zee zagen uitsteken. De Katwijkers, die iedere dag over zee uitkijken, zien helaas nooit wat. De aandacht voor de Brittenburg was zo overspannen, dat het niet meer te bepalen is wat waar is wat niet. De twee minst onwaarschijnlijke zijn:
In 1960 bleef
een visser met zijn netten vastzitten en liet de zaak met een boei achter.
De duikers die het net vrijmaakten vonden tussen twee zandbanken een ronde
muur en een recht stuk muur. De plaats is onduidelijk: tussen Katwijk en
Noordwijk op circa 500 meter uit de kust. Het is alleen vreemd dat deze
vondst geen enkele publiciteit kreeg. Juist die zomer was door duikers
naar de Brittenburg gezocht, wat door alle kranten werd gevolgt. Kort geleden
bleef de duiker in een TV-programma achter zijn verhaal staan, dus wie
weet.
In het Katwijkse woordenboek komt een gesprek voor tussen twee Katwijkse
vissers uit de dertiger jaren die zich herinnerden dat ze vroeger bij een
goede visplaats grote stenen opvisten, ten zuiden van Katwijk tussen de
eerste en tweede strandpaal (waarschijnlijk paal 88 en 89) op drie kilometer
uit de kust op vijftien meter diepte. Wat pleit voor de betrouwbaarheid
is het feit dat ze het niet over de Brittenburg hadden (ze dachten aan
het oude Katwijk) en dat het tegenwoordig op die plaats inderdaad vijftien
meter diep is. Vissers wisten goed waar ze zich op zee bevonden, om de
goede visplaatsen terug te vinden. Natuurlijk ging het hier niet om de
Brittenburg (die ten noorden van Katwijk lag) maar het zou betekenen dat
er op drie kilometer van de kust nog Romeinse stenen gebouwen stonden en
dat is wel erg ver weg.
Velen hebben zich bezig gehouden met wat de Brittenburg nu eigenlijk
was, zelfs of het wel Romeins was of misschien een middeleeuws kasteel
zoals de dichter aan het begin van dit verhaal dacht. Het grootste probleem
zijn de dubbele ronde torens. Omdat er van de Brittenburg alleen Romeinse
vondsten bekend zijn tot het jaar 270, valt een middeleeuws kasteel af.
Maar in deze tijd hadden Romeinse forten vierkante torens. Een eeuw later
kwamen ronde torens wel voor bij forten, maar toen was de bewoning zo gering
dat een groot gebouw onwaarschijnlijk is. Dubbele ronde torens zijn
al helemaal onbekend bij de Romeinen. Men is er onderhand wel van overtuigd
dat de Brittenburg te maken heeft met de Romeinse vestiging Lugdunum die
op een Romeinse kaart voorkomt
aan de Rijnmond.
![]() |
In het midden van de Brittenburg staat een stenen dubbele graanopslag (horreum). De Rijn was de transportweg voor graan uit Engeland. Daarbuiten liggen een paar onduidelijke muren en daarom heen weer de muur met de torens, maar alleen aan de noordkant. Vanuit de buitenste torens lopen muren naar zee en naar de duinen. Een nieuwe opvatting is dat de Brittenburg geen fort was, maar een deel van de stad Lugdunum. Steden hadden in de die periode wel ronde torens. De naar zee en de duinen lopende muren zouden dan de verdere stadsmuren zijn, net als de later genoemde muur die naar Katwijk zou lopen en de zware muren die op afbeeldingen van andere gebouwen zichtbaar zijn. Maar hierover is men het nog niet eens. |
![]() |
Op oude prenten zien we al wat er met de Brittenburg gebeurde: ijverig
sloopten de Katwijkers de stenen. Romeinen gebruikte voor hun gebouwen
tufsteen, een grijze vulkanische natuursteen uit Duitsland. Als deze werd
gemalen, was ze uitstekend geschikt voor metselspecie, die "tras" werd
genoemd.
Daarna sloeg de zee de duinen steeds verder weg en kwamen de resten in zee te liggen. Het zeewater spoelde het zand onder de fundamenten weg waardoor de stenen steeds verder wegzakten. Toen de kust na 1800 weer aangroeide werd hier weer een laag zand over gelegd. Waarschijnlijk is dus het meeste verdwenen en liggen er hooguit nog wat brokken steen onder meters zand. |
doorsnede van het strand in 1570 |
in 1776 |
tegenwoordig |
Dit geldt misschien minder voor Romeinse resten verder uit de kust,
onbereikbaar voor slopende Katwijkers. Maar deze zijn natuurlijk nog dieper
weggezakt. Ook deze zullen echter onder het zand liggen en komen
hooguit tevoorschijn als zandbanken verschuiven. Voor de archeoloog is
dat niet belangrijk meer. Alles is weggespoeld en aan alleen stenen heeft
hij niets.
De prenten staan ook vol met vondsten, maar daar is ook vrijwel niets
meer van over, wat ook eigenlijk wel hoort bij het mysterie van verdronken
kasteel. In de loop der eeuwen is alles verdwenen. Van wat nog rest is
niet met zekerheid te zeggen of het werkelijk van de Brittenburg was.
![]() |
Zo werden twee stenen met inscriptie aan de Brittenburg toegeschreven, die nu ingemetseld zijn in het kasteel Duivenvoorde (in Voorschoten, 's zomers te bezichtigen ). De ene blijkt echter afkomstig uit het Leidse Roomburg, van het fort Matilo. De andere zou bij Den Haag zijn gevonden. |
![]() |
Een "potteken, was hooge 5,5 duim" bevindt zich nu in Den Haag in het museum Meermanno- Westreenianum. | ![]() |
Volgens de beschrijvingen lag de Brittenburg 300 roeden van de kerktoren
of 1200 passen van de kerktoren (circa 1200 meter) en nu door kustafslag
ver in zee. De Brittenburg zou dan voor de huidige uitwatering liggen.
De afstand is vroeger natuurlijk ruwweg geschat, zodat het best wat verder
of dichterbij kan zijn. Toen de tekening werd gemaakt, lag de Brittenburg
midden op het strand. Het gebouw was ongeveer 100 meter loodrecht op de
kust, wat ongeveer de afstand is tussen de duinen en de laagwaterlijn.
Zoveel duin kan de zee niet in een storm wegslaan. De Brittenburg
kwam dus niet onder de duinen vandaan, maar lag waarschijnlijk onder het
strand, waarvan een storm het zand wegspoelde. Ze verdween weer toen in
de daarop volgende dagen dat zand weer op de kust aanspoelde.
![]() |
De afstand tot de huidige kust hangt dus af van de kustafslag sinds die tijd en die zou wel eens mee kunnen vallen. Voor de aanleg van het Mallegat, de oude uitwatering van 1572, werd de afstand tot de kust opgemeten en die lag niet ver van de huidige duinen. Men was ook bang dat de sluizen door de kustafslag zouden wegslaan, maar de ondervraagde bejaarde Katwijkers zagen geen problemen. Bij zware stormen liep het zeewater wel de duinen en het dorp in, maar had zijn kracht dan al verloren. Later werd wel geklaagd over alle huizen die in de golven verdwenen. Die huizen lagen tussen de kerk en het strand zo dicht opeengepakt dat met een beetje afslag er al veel van de zeereep stortten. Afslag was er natuurlijk wel: in 1797 lag het strand op maar vier meter van de kerkhofmuur, maar daarna zijn er weer tientallen meters bijgekomen. |
Hieruit
volgt dat de oostelijk punt van de Brittenburg misschien niet veel verder
ligt dan de huidige laagwaterlijn. Latere vondsten, zoals die uit 1701,
liggen zelfs weer onder de huidige zeereep.
Hier zouden de resten dan moeten liggen,
|
| Menu |